MRI-opname van de halswervelkolom van een 67-jarige patiënt zonder neurologische en met geringe orthopedische klinische bevindingen (lichte rotatiebeperkingen bdz.), maar wel met aanzienlijke bewegingsbeperkingen van beide schoudergewrichten en uitstralende klachten in beide armen. Ernstige misvormingen van de nekwervels beschadigen het zenuwsysteem en veroorzaken de uitstralende klachten zo de radiologische conclusie. Meerdere operaties leidden niet tot enige verbetering van de klinische symptomen. Professionele oefenbehandelingen verbeterden zowel de mobiliteit van de schoudergewrichten als de uitstralende klachten aanzienlijk (met toestemming van de patiënt, gegevens bekend bei de auteur).

Klinische versus radiologische diagnostiek

De macht van beeld

Artsen en fysiotherapeuten richten zich bij hun onderzoek van rugklachten nog steeds eenzijdig op de wervelkolom met zijn tussenwervelschijven.

De macht van het radiologisch beeld, versterkt door een enorme ontwikkeling van de medische beeldvormende techniek heeft in de orthopedie ertoe geleid dat door artsen bijna uitsluitend deze techniek wordt toegepast bij het zoeken naar de oorzaak van rugpijn. Ook fysiotherapeuten richten zich hierbij nog te eenzijdig op de wervelkolom.

Steeds meer onderzoekers wijzen echter op het ontbreken van een duidelijke samenhang tussen de resultaten van radiologisch onderzoek en de klinische symptomen. Dit komt in de richtlijnen voor medische en paramedische beroepen ook tot uitdrukking: radiologisch onderzoek is niet doeltreffend voor de diagnostiek van a-specifieke rugklachten. 

Daarnaast geeft de officiële benaming "a-specifieke rugpijn" aan dat voor de meeste rugklachten, ondanks de vaak sublieme beeldvorming, nog steeds geen duidelijke oorzaak kan worden gevonden.

Blijkbaar is radiologische diagnostiek onvoldoende om de juiste oorzaak van rugpijn te achterhalen. Waarschijnlijk daarom stellen de resultaten van chirurgische, conservatieve (oefentherapie) en pharmaceutische behandelingen van rugklachten teleur.

Voor een effectieve behandeling is een goede diagnose een basisvereiste.

PhysioNovo stelt daarom dat 

• alleen klinisch - motorische bevindingen juiste informatie geven over de functie en conditie van het     
  bewegingsapparaat (pijn - mobiliteit - kracht).
• radiologische bevindingen alleen informatie geven over anatomische weefselstructuren. Er hoeft geen verband
  te bestaan met klinische symptomen. Ze worden wel van primair belang wanneer chirurgische reconstructies
  worden overwogen.
• weefselstructuur ondergeschikt is aan de functie en conditie van het weefsel.
• klinisch - motorisch onderzoek in tegenstelling tot radiologisch onderzoek wel nauwe verbanden toont tussen
  symptomen en hun oorzaken. Dit leidt tot betere diagnostiek en reële behandeldoelen.

Neuropathische vs. ligamentaire/articulaire pijn

De term neuropathische/zenuwpijn is gebaseerd op een veronderstelling uit de 18e eeuw dat zenuwvezels, anders dan door prikkeling van een sensorisch orgaan, kunnen depolariseren ten gevolge van overmatige mechanische belasting. Hierop baseert de International Association for the Study of Pain (IASP) hun definitie, dat bijzondere, ectopische activering van nociceptieve vezels in een spinale zenuw of de wortels daarvan resulteert in waargenomen pijn in een arm of been. Diagnoses zoals het lumboradiculair en cervicoradiculair prikkelsyndroom zijn actuele voorbeelden van deze nog altijd hypothetische opvatting. Ectopische activering kon tot nu toe nog niet in een klinische setting worden aangetoond. Desondanks is neuropathische pijn breed geaccepteerd en geldt als klinisch bewezen.

Naar de huidige stand van de wetenschap kunnen perifere zenuwvezels dus niet depolariseren door blootstelling aan bovenmatige mechanische belasting; zij dienen alleen om actiepotentialen door te geven. Alleen stimulatie van een zintuig kan tot depolarisatie leiden.

Uit dierproeven blijkt dat geringe mechanische rek- of trekbelastingen van al enkele grammen van perifere zenuwvezels tot onherstelbare schade leidt (neuropathie met sensorische en / of motorische uitvalsverschijnselen). Beschadiging van perifeer zenuwweefsel is meestal onherroepelijk.

Er zijn steeds meer klinische aanwijzingen voor uitstralende pijn als ligamentaire/gewrichtspijn, die kan worden verklaard door de biomechanische en fysiologische eigenschappen van het fasciale weefsel. Bovendien komen de symptomen van ligamentaire/gewrichtspijn sterk overeen met die van neuropathische pijn, ondanks dat de weefsels totaal verschillend zijn. 

Voor de klinische diagnostiek heeft dit wetenschappelijk gegeven grote gevolgen. Het cervicale en lumbale prikkelsyndroom, intervertebrale stenosen en hernia's verliezen hiermee een groot deel van hun diagnostische waarde. Het veelzijdige beeld van uitstralende klachten in armen en benen zoals paresthesieën, reversibele krachtvermindering en een subjectief gevoel van gevoelloosheid zouden eerder als gewrichtspijn verklaard kunnen worden. 

De wervelkolom – een "onverwoestbaar" geraamte

De wervelkolom is gebouwd om zware lasten te dragen en om hoge belastingen van armen en benen op te vangen. Beste voorbeelden van deze uitermate hoge belastbaarheid vindt men o.a. in de topsport.

Deze bijzonder hoge belastbaarheid wordt mogelijk gemaakt door de stabiele bouw van de aparte bouwstenen van de wervelkolom die gerangschikt zijn in een zeer belastbare dubbele S-vorm, in combinatie met slechts geringe onderlinge beweging. 

Bovendien heeft de wervelkolom een beschermende functie voor het ruggenmerg en de uittredende perifere zenuwen. Ernstige scoliosen met vaak extreme verbuigingen van de wervelkolom zonder dat neurologische uitvalsverschijnselen optreden tonen duidelijk deze beschermende functie. 

De wervelkolom zelf wordt effectief beschermd door een ingenieus netwerk van zeer gevoelige en uiterst sterke banden en kapsels in combinatie met de specifieke bouw van de wervellichamen en tussenwervelschijven.

In tegenstelling tot deze robuuste bouw tonen radiologische beelden een kwetsbare wervelkolom waar vaak afwijkingen geconstateerd worden. Stenosen van de intervertebrale foraminae met inklemming van uittredende zenuwen tot gevolg, uitpuilende tussenwervelschijven, wervelfracturen zonder traumatische oorzaak, hernia's en afglijden van wervels (spondylolisthesis) zijn vaak voorkomende radiologische diagnosen bij rugklachten. Klinische beschouwing bevestigen deze kwetsbaarheid niet. 

Paul Geraedts 2020

Gewrichten - pijlers van de motoriek

De veelzijdigheid van de menselijke motoriek wordt grotendeels bepaald door de dynamische bewegingen van de armen en benen, dus indirect door de mobiliteit van de schouder- en heupgewrichten. De wervelkolom heeft een overwegend statische, ondersteunende en verbindende functie. Een motorisch stabiele romp vormt een goede basis voor de individuele arm- en beenbewegingen, en verbindt deze tegelijkertijd.

Gewrichten hebben het vermogen om zich aan te passen aan een evenwichtige belasting. Als de belasting juist gedoseerd wordt en rekening wordt gehouden met hun belastbaarheid, kan de gewrichtsbelasting enorm toenemen.

Tegelijkertijd zijn ze echter door een verfijnd articulair neurologisch systeem uiterst gevoelig. Over- of verkeerde belasting veroorzaakt direct een afname van prestaties, gewrichts- en uitstralende pijn, paresthesieën en krachtverlies.

Maar als de belasting te laag is, worden de gewrichten ook ziek. Een goed gedoseerde en vooral juiste belasting is nodig om gewrichten gezond te houden.

Gewrichtsbeperkingen, hoe gering ook, leiden onmiddellijk tot compenserende motorische activiteit, meestal in de wervelkolom. Dit tast zijn actieve stabiliteit aan en kan zo rugpijn veroorzaken.

PhysioNovo bouwt de belasting van een gewricht op rekening houdend met de fysiologische belastbaarheid in overeenstemming met de biomechanische eigenschappen van het gewricht. Op deze manier kunnen de motorische prestaties op een veilige manier worden verbeterd, ontwikkelen zich zelden pijnlijke spieren en wordt de pijn in de gewrichten en de ledematen verlicht.

PhysioNovo baseert op het articulair-neurologische systeem van het subchondrale bot, de ligamenten en de gewrichtskapsels en houdt rekening met de functionele relaties tussen botten, gewrichten, spieren en fascia.

Naast de mobiele schouder- en heupgewrichten zijn er ook de gering beweeglijke sacroiliacale (SI), scapulo-thoracale (ST) en vertebra-discale gewrichten. Bij rugklachten spelen deze gewrichten door hun biomechanische structuur en hun functioneel nauwe verbinding met de grote gewrichten een onderschatte maar belangrijke rol.

© Paul Geraedts 2020