heupgewricht/lumbale wervelkolom

Correlatie heupgewricht en lumbale wervelkolom

Roach et al. (2015, https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/25709858/) en Arab et al.  (2019, https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/31126522/) toonden in hun studies een significant verschil aan in heupextensie bij actieve personen met NSCLBP in vergelijking met een controle-groep. Naast een goede rotatie van de heup is extensie een andere essentiële beweging voor een optimale belasting en functie van de LWS en de heup. 
Een verminderde heupextensie kan compensatoir leiden tot heupflexie. Theoretisch is het mogelijk dat flexie met myogene oorzaak leidt tot een verhoogde activiteit van de lage rugspieren. Gezien de invloed van de zwaartekracht ligt een passive lumbale hyperextensie meer voor de hand (PG). In beide gevallen kan dit op zijn beurt weer leiden tot vroegtijdige vermoeidheid en een verminderde bescherming tegen schuif- en torsiebelastingen (shearing forces) van de lendenwervelkolom (L5-S1) en het SI-gewricht alsook tot verminderde coördinatie voor houdingscontrole. Bij personen met langdurige heupverstijving treedt een overmatige anterior tilt van het bekken tijdens het lopen op om het gebrek aan heupextensie te compenseren. Verminderde heupextensie leidt dus ook tot verslechtering van de feedforward motoriek van het bekken en daarmee van de LWK. De rol van beperkte mobiliteit van heupabductie, -adductie en -flexie voor de mate van lagerugpijn lijkt op basis van het aanwezig onderzoek beperkt te zijn. 

In hun literatuurstudie (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32158082/ ) vonden Masahiro et al. (2020) een significante correlatie tussen lage rugpijn of beenpijn en degeneratieve aandoeningen van het heupgewricht bij het gluteus medius-syndroom (als symptoom van een functioneel verzwakt heupgewricht, PG). Een passende behandeling kan lagerugpijn (zelfs na een mislukte rugoperatie) en een pijnlijk heupgewricht verbeteren.
Het Gluteus medius syndroom is een belangrijke oorzaak van rug- of beenpijn en is vergelijkbaar met het trochanterische pijnsyndroom, dat ook gepaard gaat met rug- of beenpijn. Trochanterische pijn syndroom, als een klinisch symptoom van (beginnende) heup artrose, wordt geassocieerd met degeneratieve klachten van de lumbale wervelkolom, zo merkten de auteurs op.

Stupar et al. onderzochten in een cohortstudie in 2010 (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/20605553/) de associatie tussen lage rugpijn en onder andere heupartrose. Zij vonden dat lage rugpijn latere artrotische pijn en functionele beperkingen van een heupgewricht kan voorspellen.

Ayman e.a. (2019) (https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/31030110/) hebben systematisch 24 studies voor de associatie tussen NSLBP (niet-specifieke lage rugpijn) en ROM heupgewrichten beoordeeld met als resultaat dat IR ROM in meer studies significant werd gevonden bij NSLBP proefpersonen in vergelijking met gezonde proefpersonen, maar met over het algemeen zeer lage evidentie.

Echter, de auteurs zelf rapporteren met betrekking tot de onderzochte studies dat ".... gemeenschappelijke oorzaken van confounding het ontbreken van of een ontoereikende rechtvaardiging voor de steekproefomvang, verblinding van de beoordelaars, aanpassing voor belangrijke verwarrende factoren en slechte rapportage waren" en "...het resultaat moet voorzichtig worden beoordeeld vanwege de lage kwaliteit met daartoe behorende slechtre evidentie (van de onderzochte studies,PG); verdere onderzoeken zijn nodig".